<?xml version='1.0' encoding='utf-8'?>

				<feed xmlns='https://www.w3.org/2005/Atom'>

					<id>https://petach.nl/</id>

					<title type='text'>Pètach : news</title>

					<updated>2026-04-20T00:52:58+00:00</updated>

					<author>

						<name>ce107</name>

						<uri>https://ce107.nl/</uri>

					</author>

					<link rel='self' href='https://www.petach.nl/feed/news/atom/' />

					<category term='ce107'/>

					<contributor>

						<name>ce107</name>

					</contributor>

					<generator uri='https://ce107.nl/' version='2.4.0 (git)'>ce107</generator>

					<logo>https://www.petach.nl//e107_media/626c59da45/images/2024-01/door_logo.jpg</logo>

					<rights type='html'>pbar - info@nospam.com</rights>

					<entry>

						<id>https://www.petach.nl/nieuws/teksten-stiltedagen/24-april-2026-waar-houdt-gij-u-verborgen-johannes-van-het-kruis</id>

						<title type='text'>24 april 2026 - Waar houdt Gij U verborgen? – Johannes van het Kruis</title>

						<updated>2026-04-17T15:36:41+00:00</updated>

						<author>

						<name>pbar</name>
						<email>info@nospam.com</email>
</author>

						<link rel='alternate' type='text/html' href='https://www.petach.nl/nieuws/teksten-stiltedagen/24-april-2026-waar-houdt-gij-u-verborgen-johannes-van-het-kruis' />

						<summary type='text'>Download/printDit is de beginregel van het ‘Geestelijk Hooglied’ van Johannes van het Kruis, geïnspireerd op het Bijbelboek Hooglied. Het verwoordt het mystieke verlangen van de ziel (bruid) naar God (de Bruidegom).3. ‘Waar houdt Gij U verborgen?’ - Dit wil zoveel zeggen als: Goddelijk Woord, mijn Bruidegom, toon mij de plaats waar Gij u verborgen houdt.Hiermee vraagt zij Hem dat Hij haar zijn goddelijk Wezen duidelijk laat zien. Want naar het woord van Johannes (1:18) is de plaats waar de Zoon van God verborgen is, de schoot van de Vader, met andere woorden Gods Wezenheid. Deze is onbereikbaar voor de ogen van al het sterfelijke, en verborgen voor ieder menselijk begrijpen. Daarom zei Jesaja (45:15) toen hij met God sprak: ‘Voorwaar, Gij zijt een God die zich  verborgen houdt.’Vandaar dient het volgende te worden opgemerkt. In dit leven kan de ziel deelachtig worden aan grootse mededelingen van God en aan zijn verheven tegenwoordigheid; zij kan een diepe en voortreffelijke kennis van Hem verwerven, maar toch is dit niet wezenlijk God. Het kan zelfs niet met Hem vergeleken worden. Hij blijft in waarheid voor de ziel nog steeds verborgen. Ondanks al dat verhevene behoort de ziel Hem daarom altijd te beschóuwen als iemand die verborgen is en Hem te zóeken als iemand die verborgen is, terwijl zij zegt: ‘Waar houdt Gij U verborgen?’Want ook al ontvangt men verheven mededelingen en al heeft men het gevoel dat Hij aanwezig is, toch vormt dit geen zeker bewijs voor zijn genaderijke tegenwoordigheid. Evenmin is dorheid en afwezigheid van dit alles een zeker teken dat Hij niet in de ziel aanwezig is. De profeet Job zegt dan ook (9:11) : Als Hij tot mij komt, zie ik Hem niet, en als Hij heengaat, bemerk ik Hem niet. 4. Hierdoor zal ook het volgende duidelijk zijn. Als de ziel een verheven mededeling of een geestelijke gewaarwording of geestelijke kennis bespeurt, dan moet zij, hoe intens die ervaring ook mag zijn, zichzelf niet aanpraten dat hetgeen zij bespeurt een bezitten van God of een klaar schouwen van Gods Wezen is; of dat dit betekent dat zij nu God méér in bezit  heeft of zich meer in God bevindt. En als al die tastbare en geestelijke mededelingen ontbreken en de ziel dus in dorheid en duisternis verkeert  en zich verlaten voelt, dan moet zij daarom niet denken dat God in de ene toestand meer afwezig is dan in de andere. In werkelijkheid immers kan zij door het ene niet met zekerheid weten dat zij in genade, en evenmin door het andere dat zij buiten de genade leeft. Of zoals de Wijze Man zegt (Pred. 9:1): Geen mens weet of hij in het oog van God liefde verdient of haat. In dit vers is het dus niet de voornaamste bedoeling van de ziel alleen maar te bidden om een affectieve en gevoelige devotie (deze geeft in dit leven immers geen zekerheid of uitsluitsel betreffende het bezitten van de Bruidegom), maar op de eerste plaats wil zij bidden dat Hij op duidelijke wijze tegenwoordig komt, zodat zij Hem in zijn Wezenheid kan aanschouwen. Want het is haar verlangen daarvan zeker te zijn en daarmee bevredigd te worden in het andere leven.5. [      ] De ziel bidt om voedsel; zij vraagt om het Woord, haar Bruidegom, in Wie de Vader zijn voedsel vindt, in oneindige heerlijkheid. 6. Deze dorstende ziel moet haar Bruidegom vinden. In dit leven moet zij voor zover dit mogelijk is zich in liefde met Hem verenigen. Met de druppel die zij van Hem in dit leven kan proeven moet zij haar dorst naar Hem levend houden. [     ]Daarom dient men hier op te merken dat het Woord, de Zoon van God, samen met de Vader en de Heilige Geest op verborgen wijze in de binnenste kern van de ziel aanwezig is, en wel wezenlijk. De ziel die Hem moet vinden dient zich dus wat haar gevoelens en wil betreft van alle dingen terug te trekken. In diepste ingetogenheid moet zij tot zichzelf inkeren, zodat alle dingen voor haar zijn alsof zij niet bestonden.  [    ] Binnen in de ziel is God dus verborgen. Daar moet de goede contemplatief Hem liefdevol zoeken en Hem vragen: ‘Waar houdt Gij U verborgen?’7. Gij zijt wel het schoonste onder alle schepselen, ziel. Gij verlangt zo de plaats te kennen waar uw Beminde verblijft, zodat gij Hem kunt zoeken en u met Hem verenigen! En nu wordt u al gezegd dat gij zelf het vertrek zijt waarin Hij verblijft en het toevluchtsoord en de schuilplaats waar Hij verborgen is. Het moet wel een reden tot grote voldoening en vreugde voor u zijn te zien, dat al uw goed en het voorwerp van uw hoop zo dicht bij u is, dat het in u is, of beter gezegd dat gij niet zonder Hem kunt zijn. ‘Zie, Gods rijk is binnen in u’  (Luc 17:21), zegt de bruidegom. En de apostel Paulus, zijn dienaar, zegt: ‘Gij zijt de tempel van God’. (2 Kor 6:16). 8. Het stemt de ziel tot grote blijdschap te horen dat God nooit afwezig is van een ziel, zelfs al zou deze zich in staat van doodzonde bevinden; hoeveel te minder zal Hij afwezig zijn van een ziel in genade.Wat wilt gij nog méér, mijn ziel, en wat zoekt gij nog buiten u? In uw binnenste bezit gij uw rijkdom, uw geneugte, uw voldoening, uw verzadiging, uw koninkrijk. Dit toch is uw Beminde, naar Wie gij verlangt en Die gij zoekt. Geniet van Hem en wees blij met Hem in diepe ingekeerdheid, want Hij is u zo nabij. Verlang daar naar Hem, aanbid Hem daar. Ga Hem niet buiten u zoeken, want dan wordt gij verstrooid en vermoeid, en gij zult Hem nergens zekerder, vlugger en meer nabij vinden en van Hem genieten dan binnen in u. Doch één ding moet gij weten: hoewel Hij in u is, is Hij ver verborgen. Het is echter van groot belang de plaats te kennen waar Hij zich verborgen houdt, om Hem daar te zoeken in de zekerheid Hem te vinden. Hierom vraagt ook gij, mijn ziel, als gij in liefdevolle genegenheid zegt: ‘Waar houdt Gij U verborgen?’9. Maar ik hoor u al zeggen: Hoe komt het toch dat ik Hem niet vind en niet ervaar, als Hij die mijn ziel liefheeft in mij aanwezig is?De reden is, dat Hij op verborgen wijze aanwezig is en dat gij van uw kant u niet verbergt om Hem te vinden en te ervaren. Wie immers iets moet zoeken dat verborgen is moet in het verborgene doordringen tot de verborgen plaats waar het zich bevindt. Als hij het dan vindt, is hij even verborgen als dat ding. Aangezien dus uw beminde Bruidegom de schat is die in de akker van uw ziel verborgen ligt, en waarvoor de wijze koopman alles verkocht had (Matt. 13:44), moet gij om Hem te vinden al het uwe vergeten en u van alle schepselen terugtrekken. Dan moet gij u verbergen in de binnenkamer van uw geest, gij moet de deur achter u sluiten en zo tot uw Vader in het verborgene bidden (Matt 6,6). Als gij zo met Hem verborgen blijft, dan zult gij Hem liefhebben en van Hem genieten en in het verborgene zult gij in Hem uw geneugte vinden, en wel een geneugte die alles overtreft wat tong of zin verschaffen kan. 10. Moed dus, mijn ziel, gij zijt schoon, gij weet dat in uw binnenste op verborgen wijze uw Beminde verblijft naar Wie gij verlangt. Zorg ervoor samen met Hem verborgen te blijven. [     ] Want als gij in dit korte leven uw hart met de uiterste zorg bewaakt (Spr 4:23) zal God volgens Jesaja (45:3) u geven ‘Verborgen schatten en Ik zal u de kern en de mysteries van de geheimen openbaren.’ De kern van de geheimen is God zelf, want God is de kern van het geloof en datgene wat erin gevat wordt, en het geloof is het geheim en het mysterie. [    ]Deze toestand zal de ziel in dit sterfelijk leven niet op zo’n pure wijze bereiken als in het andere. Als zij zich echter verbergt, zoals Mozes in de rotsholte (Ex 33: 22-23), dit wil zeggen als zij oprecht het volmaakte leven van Gods Zoon, de Bruidegom van de ziel, navolgt, dan zal God beschuttend zijn rechterhand over haar uitstrekken, en zij zal Hem dan mogen zien van achteren. Dit betekent, dat zij in dit leven zo’n hoge volmaaktheid bereikt, dat zij door liefde wordt verenigd met en omgevormd in Gods Zoon, haar Bruidegom. Dan bemerkt zij dat zij zo dicht bij Hem staat, zo ingewijd en onderwezen is in zijn mysteries, dat zij voor wat de in dit leven bereikbare kennis van Hem betreft niet meer behoeft te zeggen: ‘Waar houdt Gij U verborgen?’12.  Gij handelt dus zeer goed, o ziel, als gij Hem altijd zoekt waar Hij verborgen is. Als gij immers God beschouwt als verhevener en dieper  dan alles waartoe gij kunt geraken dan brengt gij daardoor veel lof aan God en zult gij zeer dicht bij Hem komen. Blijf daarom niet stilstaan of talmen bij datgene wat uw vermogens kunnen begrijpen. Ik bedoel hiermee dat gij nooit uw voldoening moet willen zoeken in wat gij van God kunt begrijpen. Zoek uw voldoening in wat gij van Hem niet kunt begrijpen. Blijf ook in uw liefde en genieting nooit staan bij wat gij van God kunt begrijpen of gewaarworden. Richt uw liefde en genieting op wat gij van Hem niet kunt begrijpen en gewaarworden. Dat is Hem zoeken in geloof. God is immers verborgen al hebt gij nog zozeer de indruk Hem te vinden of te voelen. Gij moet Hem dienen als verborgen in het verborgene. Wees niet gelijk die talrijke onverstandige mensen, die menen dat God verder weg is of meer verborgen als zij Hem niet begrijpen, proeven of gewaarworden. Eerder is het tegendeel waar. Hoe minder men van Hem begrijpt in onderscheiden begrippen, des te dichter komt men bij Hem. David zegt immers: Hij sloeg de duisternis als een dek om Zich heen (Ps 17:12). Als gij dus dicht bij Hem komt, moet de zwakheid van uw oog wel duisternis bespeuren. In voor- en tegenspoed zowel in het geestelijke als in het tijdelijke, ten allen tijde dus, doet gij er goed aan God te beschouwen als verborgen en tot Hem te roepen: ‘Waar houdt Gij U verborgen?’.Uit: Johannes van het Kruis – Mystieke Werken. (Uitg: Carmelitana.)Geestelijk Hooglied, blz 278 -284.</summary>
<category term='Tekst bij stiltedagen'/>
<published>2026-04-17T15:36:41+00:00</published>

					</entry>

					<entry>

						<id>https://www.petach.nl/nieuws/teksten-stiltedagen/27-maart-2026-judas-iskariot</id>

						<title type='text'>27 maart 2026 - Judas Iskariot</title>

						<updated>2026-03-18T09:04:30+00:00</updated>

						<author>

						<name>pbar</name>
						<email>info@nospam.com</email>
</author>

						<link rel='alternate' type='text/html' href='https://www.petach.nl/nieuws/teksten-stiltedagen/27-maart-2026-judas-iskariot' />

						<summary type='text'>Download/print Een van de vreemdste voorvallen in de Evangeliën is het verraad van Christus door Judas Iskariot. Zoals het beschreven wordt, is het vrijwel onverklaarbaar. Christus  predikte in het openbaar. Iedere Joodse of Romeinse gezagsdrager die hem wilde gevangennemen, kon gemakkelijk te weten komen waar Hij was. Hoe dieper wij dit voorval en alles wat ermee verband houdt, bestuderen, des te duidelijker wordt het dat het iets voorstelt, dat er een innerlijke betekenis achter verborgen ligt. Anders gezegd: Christus werd door Judas in een geheel andere dan de letterlijke zin verraden. Het is duidelijk dat Judas een volslagen onderwaardering, een verkeerd begrijpen en ten slotte verraad van de leer van Christus vertegenwoordigt. Sprekende tot zijn discipelen zegt Christus: ‘Heb Ik niet u twaalven uitgekozen? En een van u is een duivel’ (Joh 6:70). Christus had Judas uitgekozen. Judas faalde met betrekking tot Christus, zoals ook Simon Petrus faalde. Wij moeten echter begrijpen dat het falen van Simon Petrus iets heel anders voorstelt dan dat van Judas Iskariot. Maar beiden stellen zij iets voor. Petrus verloochende Christus tot driemaal toe, dat wil zeggen, uiteindelijk volkomen; en hij wordt door Christus aangewezen om de kerk te vertegenwoordigen. Maar Judas vertegenwoordigt de kerk niet, de kerk die haar plaats in de wereld zou innemen en door de eeuwen heen strijden zou tegen het geweld en de beestachtigheid van de mens op aarde en het mogelijk zou maken dat er cultuur bestaat.De innerlijke betekenis van een leer betreffende het Koninkrijk der hemelen moet uiteindelijk ten onder gaan in uiterlijke vormen en rituelen, in redetwisten over woorden, enzovoorts; dat wil zeggen dat Christus, die de innerlijke en meest zuivere betekenis van de leer vertegenwoordigt, in de loop der eeuwen uiteindelijk moet worden verloochend. Maar iedere leer over het hogere niveau van menselijke evolutie wordt gevolgd door een nieuwe. De leer komt weer. Christus spreekt over zijn tweede komst en vraagt: ‘Als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde?’ (Luc 18:8). Er bestaat verband tussen de drievoudige verloochening van Christus door Petrus en het uiteindelijke falen van het geloof op aarde bij de voleinding of vervulling van het tijdperk die in de aangehaalde passage wordt voorzegd. Een gebeuren wordt echter niet geoordeeld op grond van de volgens de tijd gemeten slotfase, maar op grond van het gehele ‘tijdperk’ of de gehele levensduur ervan, op basis van de hele dag en niet van het laatste duistere uur.De kerk werd gevestigd en groeide en zij zegevierde over het kwaad. Petrus verwerpt Christus niet maar verloochent Hem, eenmaal, dan nog eens en ten slotte voor de derde maal (dus volledig); en hij doet dit in de nacht, aan het einde van de dag, of juister: vlak voor het begin van een nieuwe ‘dag’, wanneer de haan kraait. Maar Judas verwerpt Christus volkomen. Hij verloochent Hem niet maar verwerpt Hem. Hij wordt getekend als iemand die in Christus een gewoon mens zag, een mens echter die onschuldig was. Er staat over hem vermeld dat hij, toen hij ‘berouw kreeg’, over Christus sprak als een onschuldig mens:‘Toen kreeg Judas, die Hem verraden had, berouw, daar hij zag, dat Hij veroordeeld was, en hij bracht de dertig zilverlingen aan de overpriesters en oudsten terug, en hij sprak: Ik heb gezondigd, onschuldig bloed verraden! Maar zij zeiden: Wat gaat ons dit aan? Gij moet zelf maar zien wat er van komt! En de zilverlingen in de tempel werpende, verwijderde hij zich; daarop ging hij heen en verhing zich.’  (Matt 27: 3-5)Hier wordt gezegd dat Judas ‘berouw kreeg’. Het woord dat in de Griekse tekst wordt gebruikt, heeft niets te maken met metanoïa, de verandering van de geest of bekering waar Christus over leerde. Het betekent alleen maar ‘bekommerd’ of ‘verontrust’ zijn.Dacht Judas werkelijk dat hij alleen maar had gezondigd omdat hij ‘onschuldig bloed’ verraden had of wist hij wie Christus was?  Als hij het wist, hoe kon hij dan handelen zoals hij deed? Was daar een reden voor? Moest een van de discipelen misschien de verwerping van Christus door de Joden voorstellen en deze moeilijke rol vervullen, zoals Johannes de Doper zijn moeilijke rol van verkondiger moest vervullen?   Wij hebben gezien dat aan Johannes de Doper was gezegd wat hij moest doen, dat hij een opdracht had ontvangen. Hij zegt: ‘Die mij gezonden had om te dopen met water, die had tot mij gezegd: Op wie gij de Geest ziet nederdalen en op Hem blijven, deze is het, die met de heilige Geest doopt’ (Joh 1:33).Is er enige aanwijzing dat ook Judas was gezegd wat hij doen moest, dat ook hem een opdracht was gegeven? Er zijn inderdaad twee passages die er op wijzen dat Judas handelde op instructie van Christus. In Mattheus wordt vermeld dat Jezus nadat Judas Hem had gekust als teken voor zijn gevangenneming, tot hem zegt: ‘Vriend, doe dat waarvoor gij gekomen zijt’ (letterlijk volgens de Griekse tekst – Matt 26: 50). En in Johannes houden de woorden die Jezus tot Judas richt aan het laatste avondmaal, duidelijk een opdracht in. Nadat de discipelen Christus hebben gevraagd wie van hen Hem zal verraden, zegt Hij:‘Die is het, voor wie Ik het stuk brood indoop en aan wie Ik het geef. Hij doopte dan het stuk brood in en nam het en gaf het aan Judas, de zoon van Simon Iskariot. En na dit stuk brood, toen voer de satan in hem. Jezus dan zeide tot hem: Wat gij doet, doe het haastelijk…. Hij nam dan het stuk brood en vertrok terstond. En het was nacht.’ (Joh 13: 26, 27, 30)Wat was het stuk brood (of de bete, zoals in de Statenvertaling staat); wat hield deze bete in dat er zo uitdrukkelijk vermeld wordt: ‘Na de bete, toen voer de satan in hem’? Bevatte zij misschien de een of andere substantie die Judas in staat stelde datgene te doen wat hem was opgedragen en wat hij anders niet had kunnen volbrengen? Want Jezus zegt duidelijk dat hij nu moet handelen: ‘Wat gij doet, doe het haastelijk’. En in het vervolg van het relaas wordt nogmaals de belangrijkheid van de bete in het licht gesteld, want er staat: ‘Hij nam dan de bete en vertrok terstond’. Er wordt niet gezegd dat de bete een teken was aan Judas. De passage wijst er veeleer op dat Judas, nadat hij de bete had ontvangen, macht had om kwaad te doen. Er voltrok zich een verandering in hem. En later, in het gesprek met Pilatus, zegt Jezus dat Pilatus geen macht over Hem zou hebben gehad zonder Judas: ’Gij zoudt geen macht tegen Mij hebben, indien het u niet van boven gegeven ware: daarom heeft hij, die Mij aan u heeft overgeleverd, groter zonde’ (Joh 19:11). Werd Judas gedwongen te handelen zoals hij deed, of handelde hij onbewust omdat  hij nu eenmaal de soort mens was die hij was? Ofwel handelde hij bewust en nam hij willens en wetens een rol op zich die moest worden vervuld? Van één ding kunnen wij volkomen zeker zijn: Judas vervulde de Schriften. In dat opzicht ten minste speelde hij een rol. Op vele plaatsen wordt in de Evangeliën gezegd dat iets gedaan werd opdat de Schriften in vervulling zouden gaan. Van Christus zelf wordt vermeld dat Hij tot zijn discipelen zegt dat ‘alles wat over Mij geschreven staat in de wet van Mozes en de profeten en de psalmen moet vervuld worden’ (Luc 24:44). Door de hele Evangeliën heen is het duidelijk dat Christus weloverwogen handelde en dat Hij zijn discipelen, Judas zowel als de anderen, koos met het oog op de rol die ieder van hen moest spelen in het grote drama dat was voorzien en tot in alle bijzonderheden voorbereid. De eerste figuur die in dit van te voren beschikte drama optrad, was Johannes de Doper die zijn rol reeds had gespeeld. Christus voorzegde zijn discipelen dat Hij moest worden gekruisigd. In het Johannes Evangelie wordt vermeld dat Hij, toen Andreas en Filippus Hem aankondigden dat er enkele Grieken waren gekomen die Hem wilden zien, dit als een teken aanvaardde dat de tijd gekomen was. Hij zegt: ‘De ure is gekomen, dat de Zoon des mensen moet verheerlijkt worden’ (Joh 12:23). Hij neemt zijn discipelen terzijde en waarschuwt hen dat Hij ter dood gebracht zal worden. Hij tracht niet zijn lot te ontlopen, maar zegt: ‘Hiertoe ben Ik in deze ure gekomen’ (Joh 12:27). Duidelijk wordt gesteld dat de Schriften in alle bijzonderheden  vervuld moeten worden. Wanneer de soldaten komen om Hem gevangen te nemen, wordt Petrus door Christus terechtgewezen als hij probeert hen dit te verhinderen: ‘Of meent gij, dat Ik mijn Vader niet kan aanroepen en Hij zal Mij terstond meer dan twaalf legioenen engelen ter zijde stellen? Hoe zouden dan de Schriften in vervulling gaan, die zeggen, dat het aldus moet geschieden?.... Doch dit alles is geschied, opdat de schriften der profeten in vervulling zouden gaan’ (Matt 26: 53,54,56). In het bewust opgevoerde drama met zijn van te voren bepaalde afsluiting had Judas de moeilijkste rol van allen te spelen. [     ] Als Judas een slecht mens was geweest, waarom kwamen de discipelen dan niet tegen hem op? Hij was door Christus gekozen en was omstreeks drie jaar in diens onmiddellijke nabijheid geweest, dat wil zeggen, gedurende de volle periode van Christus’ prediking. Het betreft hier niet in de eerste plaats een historische tijdsduur: drie duidt, zoals steeds in de Evangeliën, op volledigheid of volkomenheid. Geen van de eerste drie Evangelisten vermeldt iets dat tegen Judas pleit. Wanneer Christus aan het laatste avondmaal tegen zijn discipelen zegt dat een van hen Hem verraden zal, blijkt uit niets dat er enige verdenking op Judas valt. In Marcus wordt vermeld dat de discipelen een voor een aan Christus vragen: ‘Ik toch niet?’ (Marc 14,19) en in Johannes dat ‘de discipelen elkander aanzagen, in het onzekere, van wie Hij sprak’ (Joh 13,22). En zelfs wanneer Judas, nadat hij het stuk brood heeft gekregen en het bevel van Christus heeft gehoord, weggaat in de nacht, wordt nadrukkelijk vermeld dat ‘niemand van de aanliggenden begreep, waartoe Hij hem dit zeide’ (Joh 13:28). Zelfs hier is er geen enkel commentaar van de schrijver van het Evangelie.Uit: ‘De nieuwe mens’  door Maurice Nicoll – pag 194 – 200).</summary>
<category term='Tekst bij stiltedagen'/>
<published>2026-03-18T09:04:30+00:00</published>

					</entry>

					<entry>

						<id>https://www.petach.nl/nieuws/teksten-stiltedagen/open-je-hart-in-stilte-voor-de-aanwezigheid-van-de-heilige</id>

						<title type='text'>27 februari 2026 - Open je hart in stilte voor de Aanwezigheid van de Heilige.</title>

						<updated>2026-02-17T08:59:46+00:00</updated>

						<author>

						<name>vanbeek</name>
						<email>karinvanbeek@nospam.com</email>
</author>

						<link rel='alternate' type='text/html' href='https://www.petach.nl/nieuws/teksten-stiltedagen/open-je-hart-in-stilte-voor-de-aanwezigheid-van-de-heilige' />

						<summary type='text'>Download/printOp de Weg van het Jezusgebed verstilt geleidelijk de verstandelijke activiteit gedurende de gebedstijd. Evenzo verliezen allerlei verstrooidheden of afdwalingen hun reden van bestaan in de mate dat de emoties van het hart zijn gekanaliseerd. Dit betekent dat het gebed ons in een bijna spontane beweging van stilte richt. Sommige dagen is de ervaring ervan sterker en het is onvermijdelijk dat men zich voelt blootgesteld - als men het zo mag zeggen - aan de 'bekoring van de stilte'. De stilte is een goed dat alle harten bekoort vanaf het ogenblik dat zij er een zekere smaakvolle ervaring van hebben opgedaan. Maar er zijn vele vormen van stilte. Ze zijn niet alle goed. De meeste ervan zijn zelfs eerder vervormingen dan een authentiek gebed van stilte. De eerste bekoring bestaat erin van de stilte een handelen te maken, zelfs als men ten diepste overtuigd is van het tegengestelde. Onder voorwendsel dat het verstand tot stilte is gekomen, dat het hart in rust lijkt te zijn, verbeeldt men zich dat men een waarachtige stilte van zijn wezen bereikt heeft. In werkelijkheid is deze stilte - zelfs al bezit ze een onweerlegbare authenticiteit - het resultaat van een streven van de wil, die uiteindelijk het meest subtiele maar tevens het meest nadelige van het handelen is. In plaats dat wij ons hart in staat van beschikbaarheid hebben, houdt ons hart ons in een staat waarin wij onszelf een kunstmatige houding opleggen en waar wij tenslotte de Heer geen ontvangst bereiden omdat wij op onze eigen krachten steunen. In het geval van personen die een sterke wil hebben, kan dit het grootste beletsel worden voor een waarachtige beschikbaarheid voor de Heer. Materieel gezien is de stilte groot, maar het is een stilte die teruggeplooid is op zichzelf, die op zichzelf steunt.Een andere bekoring bestaat erin van de stilte een doel te maken. Men beeldt zich in dat de bestaansreden van het gebed van het hart en zelfs van ieder contemplatief bestaan, de stilte is. Men blijft stilstaan bij een materiële realiteit. Men blijft niet stilstaan bij de Persoon van de Vader of die van zijn Zoon of die van de Geest. Het is mijn gesteldheid die telt en niet de werkelijke liefdesrelatie en beschikbaarheid die ik heb ten opzichte van God. Dat is geen contemplatie, maar contemplatie van mijzelf.Een bekoring analoog aan de voorgaande bestaat erin van de stilte een realiteit-op-zich te maken. De stilte zelf volstaat. Vanaf het ogenblik dat alle geraas van de zinnen, van het verstand, van de verbeelding tot rust is gekomen, vestigt zich een authentieke vreugde in ons... en dat volstaat. Men zoekt niets meer. Men weigert iets anders te zoeken. Al wat opnieuw, om het even welk idee zal binnenbrengen, zelfs over de Heer, zelfs komende van Hem, lijkt een belemmering. De enige goddelijke realiteit op dat moment is de stilte. Er is geen gebed meer. Er blijft niets anders over dan de constructie van een idool dat stilte heet.Dit belet niet dat een authentieke stilte een zeer belangrijke realiteit is waaraan men grote waarde moet hechten. Maar als men wil binnentreden in een waarachtige stilte, moet men uit de grond van zijn hart verzaken aan de stilte. Men moet ze niet verkwanselen, ze niet onderwaarderen, er niet aan verzaken haar te zoeken, maar vermijden er een doel van te maken.Bovenal moet men vermijden te geloven dat de echte stilte het resultaat is van mijn persoonlijke werkzaamheid. Ik moet de stilte niet helemaal opbouwen zoals men het met een werk zou doen. Te dikwijls beeldt men zich in dat de stilte er alleen in bestaat de vrede te vestigen in onze verstandelijke vermogens, in onze verbeelding en gevoeligheid. Dat is een aspect van de stilte maar dat is niet de hele stilte. Ook is het nodig dat ons diepe hart - in de mate dat men zich identificeert met de wil - zelf in stilte zou zijn; dat ieder verlangen, tenzij om de Wil van de Vader te doen, tot rust is gekomen. Dan begint de mogelijkheid te bestaan om binnen te gaan in een echte stilte van heel ons wezen ten aanzien van God, geboren uit de reële gelijkvormigheid van mijn diepe wezen met de Vader, waarvan het Beeld en Gelijkenis is.God alleen volstaat; al de rest is niets. De authentieke stilte is de uiting van deze fundamentele realiteit van alle gebed. Er is werkelijk stilte in het hart vanaf het ogenblik waarop alle onzuiverheden eruit verdwenen zijn, die zich verzetten tegen het Rijk van de Vader. De echte stilte vestigt zich slechts in een zuiver hart, in een hart dat gelijkvormig is geworden aan het Hart van God.Dat is de reden waarom een hart dat werkelijk zuiver is, een volkomen stilte kan bewaren, zelfs als het is ondergedompeld in allerlei soorten activiteiten, omdat er geen wanklank meer is tussen het hart en God. Zelfs al blijven zijn verstand en zijn gevoeligheid werkzaam om in overeenstemming te zijn met de Wil van God, de authentieke stilte blijft heersen in dat hart.‘Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien' (Mat. 5,8)Uit: 'Bidden met het hart' - Mon. Cahier 43, door een monnik.</summary>
<category term='Tekst bij stiltedagen'/>
<published>2026-02-17T08:59:46+00:00</published>

					</entry>

					<entry>

						<id>https://www.petach.nl/nieuws/teksten-stiltedagen/30-januari-2026-god-maakt-de-duisternis-tot-zijn-schuilplaats</id>

						<title type='text'>30 januari 2026 - God maakt de duisternis tot zijn schuilplaats</title>

						<updated>2026-01-20T09:41:15+00:00</updated>

						<author>

						<name>vanbeek</name>
						<email>karinvanbeek@nospam.com</email>
</author>

						<link rel='alternate' type='text/html' href='https://www.petach.nl/nieuws/teksten-stiltedagen/30-januari-2026-god-maakt-de-duisternis-tot-zijn-schuilplaats' />

						<summary type='text'>Download/printIn onze spontane ervaring heeft de nacht twee gezichten. Enerzijds gaat het om een periode van rust en stilte, waarin het lawaai en de ruis van ons drukke en eigenmachtige leven naar de achtergrond verdwijnt en wij in contact treden met de diepere lagen van ons wezen. Anderzijds roept de nacht een situatie op, waarin duisternis overheerst en wij gemakkelijk de weg kwijtraken bij gebrek aan veilige oriëntatiepunten. Wij zijn dan vlug onderhevig aan angst en onzekerheid. Ditzelfde kan gebeuren wanneer een zeer fel licht onze ogen totaal verblindt en wij verschrikt stil moeten blijven staan. Ook dat is een ervaring van ‘nachtelijk duister’, al doet ze zich midden op de dag voor.De beproeving.Mystieke schrijvers hebben veel nagedacht over ervaringen van ondoordringbaar nachtelijk duister. Deze ervaringen worden veelal geduid als het besef van de afwezigheid van God, die volgt op de intense beleving van zijn aanwezigheid. Zo beschrijft Willem van Saint-Thierry in zijn commentaar op het Hooglied de eerste nachtervaring:Zoals nu eenmaal op de ondergang van de zon de nacht moet volgen, zo begint ook de bruid na het heengaan en het wegblijven van de Bruidegom (Math. 25,5) haar vroegere schoonheid te verliezen. De donkerte doordringt haar en ontneemt aan al haar daden hun aantrekkelijkheid. In het hart is er niet meer de vroegere warmte, en haar daden zijn kleurloos. Immers, dat uitwendige licht is in zekere zin de koningin van alle kleuren. Als dat ontbreekt, heeft geen enkele kleur schoonheid of kracht. Op dezelfde wijze is de verlichtende genade de kracht van alle deugden en het licht van alle goede daden. Zonder haar missen de deugden hun uitwerking en zijn de goede daden onvruchtbaar. En ook al schijnt het tegendeel, dan zijn ze toch niet krachtig, dan maken ze niet blij, ze hebben niet die vreugde-olie, niet die leerzame zalving, niet de smaak van goddelijke zoetheid, niet de geur van de eeuwigheid, niet die doeltreffende ervaring van de geestelijke zintuigen.Als de bruidegom ontbreekt en zijn werking niet in ons doordringt, worden wij beproefd en komt het erop aan dat wij met heel ons wezen op God gericht blijven. Is het de ervaring van God die ons trekt en ons in haar ban houdt, of blijven wij trouw aan de gerichtheid van ons wezen, een oriëntatie die niet afhangt van onszelf, onze ervaring of onze goede wil? Wij moeten leren leven zonder enige steun of houvast. Met lege handen. Zelfs het bewustzijn van onze eigen handen valt weg. Zie, hoe ze aan zichzelf is overgelaten, besluiteloos, onzeker. Ze wil bidden en kan er niet genoeg bij blijven. Ze wil iets in zichzelf overdenken, en ze is uitgedroogd. Ze spreekt tot de Aanwezige als was Hij afwezig, en tot de Afwezige als was Hij aanwezig. (W.v.Thierry - Hooglied blz 71-72)In die situatie tollen wij in ons zelf rond. Toch zijn de afwezigheid van God en de duisternis van de nacht nu de enige mogelijkheid om tot een geloof zonder geloof te komen. Er voltrekt zich een proces waarin wij omwille van God God moeten verlaten. De bruid:Ik zal opstaan, zegt ze dan, ik zal overal heengaan waar het liefdevuur, of liever, waar mijn verlangen mij heen drijft. Ik zal volgen waarheen Hij mij ook meetrekt. Ondertussen, daar ik onwaardig ben dat de Bruidegom me bezoekt met zijn gewone genade, zal ik anderen opzoeken die God hiertoe gevormd heeft, om van hen te genieten in God en zo zal ik God genieten in hen. Soms treft men die mensen aan op de pleinen, terwijl ze – o, wat een droefenis – niet aangetroffen worden in de kloosters. Soms vindt men ze in de straten, terwijl men ze niet vindt in de woestijn. Niet omdat ze niet vaker in de kloosters zijn en beter thuis in de woestijn. Maar in het zoeken van God vindt men Hem nergens, tenzij God als eerste diegene vindt, die naar Hem op zoek is. Zo is God overal te vinden, als Hij de zoeker voorkomt. (239-240)God is voor ons fundamenteel onvindbaar, omdat onze menselijke vermogens Hem slechts kunnen zoeken op basis van onze menselijke logica en binnen het kader van de geschapen wereld. Doordat God ons schept, bemint en tevoorschijn kijkt, openbaart Hij zich in de hele schepping en in alles wat leven heeft. Daarom is Hij ‘overal te vinden’. Omdat wij niet bestaan vanuit onszelf en op grond van onze overlevingsdrift, is het niet-zijn en het failliet van al ons handelen – zelfs van de meest spirituele inspanningen – het enige wat ons van nature eigen is. De God van onze projecties – een God die min of meer aangepast is aan onze menselijke logica – bestaat niet, hoezeer wij ook naar hem verlangen of hem aanbidden. God is niet ons project, maar wij zijn het zijne. Hij is ons voor met zijn onvoorwaardelijke liefde, en daarom is Hij onbegrijpelijk voor ons mensen die gevangen zitten in de logica van de voorwaardelijkheid en het gezonde verstand. Ons leven is slechts het niet-aflatende proces om iedere seconde iets meer te gaan worden wie Hij voor ogen heeft. Dit proces voltrekt zich voor ons in een nachtelijk duister, want onze bestemming is louter het resultaat van Zijn liefdevolle en scheppende werking. Wij zijn slechts weerstand en onbegrip, terwijl God ons overkomt als een verblindend Licht. De Onzienlijke.Gregorius van Nyssa, een van de zogenaamde Cappadocische vaders uit de vierde eeuw, dacht na over het onontkoombare feit dat wij in onze zoektocht naar God gedoemd zijn de duisternis binnen te treden, waarin God verblijf houdt. Hij deed daarvan verslag in zijn commentaar op het Hooglied in ‘Nacht van de godskennis’:Zo komt het dat de bruid, die meent de hoogste verwachtingen bereikt te hebben en reeds gemeenschap te hebben met de Beminde, de meest volmaakte deelname aan het Goede ‘bed’ noemt, en de tijd dat ze zich op dat bed bevindt ‘nacht’ (Hgl 3,1). Met het woord ‘nacht’ bedoelt ze het zien van het onzichtbare, zoals toen Mozes zich in de duisternis bevond, waar God was (zie Ex 20,21). Naar het woord van de Profeet ‘heeft God zich immer in het duister verborgen en er zich mee omhuld’ (Ps 18,12). Op het moment dat de ziel zich daar bevindt, leert ze dat ze nog even ver van de volmaaktheid verwijderd is, als zij die nog de eerste stap niet gezet hebben. Ze zegt: ‘Toen ik waardig bevonden werd voor het volmaaktste en als het ware op het bed van de reeds verworven kennis van de werkelijkheden rustte, trad ik binnen in de onzichtbare dingen, nadat ik het gebruik van de zintuigen afgelegd had. Ik werd omgeven door de goddelijke nacht en zocht Hem die in het donker verborgen is. Ik was vol van liefde voor mijn Veelverlangde, maar mijn Beminde ontsnapte aan de greep van mijn gedachten. Ik zocht Hem inderdaad ’s nacht op mijn bed om te weten wat zijn wezen is, waar Hij begint, waar Hij eindigt en waarin Hij bestaat, maar ik vond Hem niet (Hgl 3,1). Ik riep Hem bij al de namen die ik in staat was te vinden om Hem die onnoembaar is, te noemen, maar geen naam kon Hem omschrijven. Hoe zou Hij die iedere naam te boven gaat (zie Fil 2,9), immers door het noemen van een naam gevonden kunnen worden?’ Daarom zegt de bruid: ‘Ik heb Hem geroepen en Hij luisterde niet naar mij. Toen kwam ik tot de ontdekking dat zijn grootheid, zijn glorie en zijn heiligheid zonder beperking zijn.’ De intieme omgang met God vindt plaats op het ‘bed’, waar de bruid – kortom, de mens – gedurende de nacht ‘het onzichtbare’ gaat zien, zoals toen Mozes zich in de duisternis bevond waar God was (zie Ex 20,21). Het wezen van God is immers in het duister verborgen en daarmee omhuld. Op het ‘bed’ is er nog sprake van een bewustzijn van de liefdevolle omgang met God en daarom heeft de mens nog toegang tot de reeds verworven kennis van de werkelijkheden. Dat is de situatie waarin we nog niet opgewassen zijn tegen de ware godskennis en nog afhankelijk zijn van de begrippen van de menselijke logica en de beelden van de zintuigen. Daarna moeten wij binnentreden in de onzichtbare dingen en worden wij ‘omgeven door de goddelijke nacht’. Ieder houvast en veiligheid ontvalt ons daar, want de Beminde ontsnapt onvermijdelijk ‘aan de greep van onze gedachten’. Wij willen niets liever dan ‘weten wat zijn wezen is, waar Hij begint, waar Hij eindigt en waarin Hij bestaat’, maar Hij ontsnapt aan onze menselijke logica en onze projecties. Als schepsel zijn wij gebonden aan de voorwaardelijkheid en de beperking, die ons doen zoeken naar een god die op ons lijkt en dus overzichtelijk, denkbaar en noembaar is.[    ]De lichtende duisternis. Maar ook onze hogere vermogens worden vervolgens buiten spel gezet, met name ons verstand. Toch krijgt ons verstand de kans om steeds verder naar binnen te dringen in dit duister dat als een muur voor ons staat. Daar gaan wij God zien in zijn goddelijk wezen, dat wil zeggen: als ‘het Onzienlijke en het Ongrijpbare’. Niet-zien wordt het enige zien dat overblijft; het is het ‘ware zien’. De ongrijpbaarheid van God trekt zich terug in de duisternis en is zo fundamenteel gescheiden van onze geschapen werkelijkheid. [   ]  Uit een artikel van Hein Blommestijn in de Kovel nr 41 ‘Heldere nachten’ blz 30-35. Teksten van Willem van Thierry komen uit  ‘Commentaar op het Hooglied’ – monastiek cahier 1 – Bonheiden.</summary>
<category term='Tekst bij stiltedagen'/>
<published>2026-01-20T09:41:15+00:00</published>

					</entry>

					<entry>

						<id>https://www.petach.nl/nieuws/teksten-stiltedagen/19-december-2025</id>

						<title type='text'>19 december 2025 - Tempel van onze ziel</title>

						<updated>2025-12-12T16:36:03+00:00</updated>

						<author>

						<name>vanbeek</name>
						<email>karinvanbeek@nospam.com</email>
</author>

						<link rel='alternate' type='text/html' href='https://www.petach.nl/nieuws/teksten-stiltedagen/19-december-2025' />

						<summary type='text'>Tempel van onze zielDownload/printNu is de ziel zo vol van God dat Hij uit haar moet worden geboren. Want het kan niet geheel verborgen blijven: de maagdelijke Zoon moet uit haar naar buiten stralen. Omdat zij in haar niets dan God heeft ontvangen en vol is van God, daarom kan zij niets dan God voortbrengen. Deze wordt op drieërlei wijze uit haar geboren. (Hij is en blijft nochtans één volgens zijn Wezen, zoals de Heilige Drievuldigheid volgens de Personen drievuldig is maar wezenlijk één.)Er zijn immers drie eenheden in alle mensen, en in elke eenheid is God. De eerste eenheid is die van het binnenste wezen van de ziel. De tweede is de eenheid van de hoogste vermogens. De derde is de eenheid van het hart. Maar bij de goede mensen is Hij daarin over-wezenlijk, want daaruit komt de hele kracht voort van het geestelijk werk. En wie zich van daaruit laat leiden, wordt door God geleid: hij wordt een geestelijk en goddelijk mens.De hoogste eenheid nu van het wezen van de ziel hangt altijd in God - één leven -, en is verenigd met de eenheid van het goddelijk Wezen. Zij is één en onwrikbaar zoals God één en onwrikbaar is, want God verblijft in de eenheid als in het eeuwige nu. En was de geest daarmee altijd verenigd, dan bleef de mens altijd jong. Want die eenheid kan niet oud worden. Integendeel, in zichzelf blijft de ziel altijd jong, in de eeuwige nieuwheid, en blijft ze altijd maagd. Zij is immers eenvoudig - boven alle bepaaldheid - , en zij is zonder bepaalde of eigenheid. Zo ook is God daarin eenvoudig, zonder enig onderscheid van namen of Personen. Op geen andere wijze is Hij daarin, en op dit vlak is de ziel God gelijk. God baart zichzelf in haar zonder ophouden, op een over-wezenlijke wijze. Hij houdt het wezen van de ziel vast aan zijn eenvoud, zodat het vrij en ontbloot is van alles wat met naam genoemd kan worden en van alle vormen. Dit wezen van de ziel is eenvoudig en vermengt zich nergens mee, zodat men op geen bepaalde manier tot haar kan komen. Hier baart de Vader zijn enige Zoon, even waarachtig als in Zichzelf. Het gemoed wordt onophoudelijk omhelsd door goddelijke Eenheid. Wie dat in zichzelf mag ondervinden, die vindt alle goed en eeuwig leven. Daarin ligt alle vrijheid en overvloed van weelde. Het is niet beperkt, het is wijder dan alle hemelen. Het is een wellende vloed, een bodemloze bron waaruit de levende rivieren stromen.Op deze wijze wordt het de Zoon zelf, die de Vader baart. En dat is de betekenis van de eerste mis die men te middernacht zingt, in de duistere nacht die aan alle geschapen verstand onbekend is. Dit kan daar immers niet bij, want het is duister voor hem. En in die duistere stilte openbaart zich een eenvoudig licht, en de Vader spreekt: ‘U bent mijn Zoon. Heden heb Ik U verwekt.’ Hier wordt de geest opnieuw geboren en opgenomen in zijn goddelijke oorsprong, waarin hij eeuwig is geweest. Hij is daar God met God, waar God zichzelf opnieuw baart: naar de wijze van de eenvoud, in de hoogste eenheid.De middelste eenheid is de eenheid van de hoogste vermogens, die uit de eerste eenheid voortkomen. Deze hebben hun begin en hun fundament in het goddelijk wezen. Die eenheid bewoont God met zijn Heilige Drievuldigheid en Hij werkt daarin volgens het onderscheid van de Personen. De Vader is de macht en het wezen van het bewustzijn en houdt dit in een eeuwige aandacht. De Zoon is de klaarte en het wezen van het verstand en houdt het in een eeuwig licht. De Heilige Geest is de vurige vonk van de wil en houdt deze in een liefdevol toe-neigen, in een eeuwig aanhangen van God. Hij verenigt de geest met God door de band van de minne.En hier baart God zijn Zoon in een verborgen klaarte, waarmee de geest wordt doorschenen. Dat licht geeft in de geest kennis van God en van zichzelf. Het ontsluit de zinnen van de Schrift en leert hem het wat en hoe van alle geestelijke oefening of beleving. Het schenkt dit alles om in de ziel te lichten. Die geboorte is de betekenis van de tweede mis, waarin men zingt: ‘Het licht zal heden over ons schijnen.’ De laatste eenheid is de eenheid van de lagere vermogens en van het hart. Die eenheid bewoont God door zijn innerlijk lichten, dat voortkomt uit de hoogste vermogens. Het leidt al wat in de ziel en in de mens is. Het houdt en verlicht de rede en een onderscheiden, zodat ze met Hem alle dingen wijselijk onderzoekt en ordent. Het houdt het verlangen in een zuiver neigen naar alle goed, opdat ze Hem met kracht zou aanhangen. En het geeft de toornige kracht, binnen een neigen van de minne tot God, beheersing en oordeel. Het houdt ook het geweten in een licht van kennis, om in alle deugden vruchtbaar te zijn en niets anders toe te laten. Het verzamelt heel de gevoeligheid van ziel en hart, met alle zinnen van de mens. Het zuivert ze, maakt ze inwendig, en verenigt ze met Hem. Zo neemt Hij onze menselijkheid aan en op zijn beurt schenkt Hij ons zijn Godheid: om geestelijk uit ons geboren te worden, en opdat wij ons op zijn menselijke geboorte toeleggen en ons daaraan gelijkvormig maken. Heel zijn leven, al zijn deugden en zijn liefdevolle geboorte geeft Hij ons, opdat wij helemaal één worden met Hem.O wonderbare vereniging van God met de ziel! Dat Hij zich verwaardigt haar aan te nemen en uit haar geboren te worden. Dat Hij haar zijn Godheid en de verdienste van zijn heilige menszijn geeft, om de mens een weerspiegeling te laten zijn van al Zijn werken! En die geestelijke geboorte is de betekenis van de derde mis, waarin met zingt: ‘Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven.’ Als de ziel God op die wijze ontvangt en baart, is ze maagd. Maar nu moet ze nodig nog vrouw zijn: door die geboorte en alle gaven aan God - van wie ze werden gekregen - weer aan te bieden en op te offeren. Want vruchtbaarheid van de gaven is precies dankbaarheid voor de gaven. Dan wordt de ziel vrouw, als zij weer in God baart door dankbare lofprijzing. De maagdelijkheid heeft immers geen nut, als zij zich niet op haar beurt met al haar gaven laat zinken in God. Anders gaan de gaven teniet, zodat er geen nut of vrucht van komt. Maar de maagd de vrouw is, brengt alle dagen honderdvoudige vrucht of honderdvoudig loon voort - ja, zonder tal - door telkens opnieuw te baren. Want zij wordt vruchtbaar uit de allerbeste grond: uit de grond waaruit de Vader zijn enige Zoon baart, wordt zij vruchtbaar medewerkend. Jezus is immers het licht en het schijnsel van de Vader. Deze Jezus is met de ziel verenigd, en zij met Hem. En zij licht en schijnt met Hem als een enige en loutere klaarte in het hart van de Vader.De heilige Bernardus zegt: ‘Dit is de nieuwe mens die niet oud wordt. En zelfs zij van wie het gebeente oud was geworden, worden weer vernieuwd.’Daarover verheugt zich God met alle engelen en heiligen. En God wil dat zijn geboorte in ons wordt vernieuwd. Het is ook Maria’s vreugde en wens dat al wat in haar lichamelijk en geestelijk geschiedde, ook in de ziel geestelijk weer wordt volbracht en vernieuwd. Uit: ‘De Tempel van onze ziel’, door de anonieme auteur van de Evangelische Peerle (1543) – uitg. Averbode.</summary>
<category term='Tekst bij stiltedagen'/>
<published>2025-12-12T16:36:03+00:00</published>

					</entry>

					<entry>

						<id>https://www.petach.nl/nieuws/teksten-stiltedagen/toevoeging-bij-de-stiltedag-van-november-2025</id>

						<title type='text'>Toevoeging bij de stiltedag van november 2025</title>

						<updated>2025-11-29T16:59:02+00:00</updated>

						<author>

						<name>vanbeek</name>
						<email>karinvanbeek@nospam.com</email>
</author>

						<link rel='alternate' type='text/html' href='https://www.petach.nl/nieuws/teksten-stiltedagen/toevoeging-bij-de-stiltedag-van-november-2025' />

						<summary type='text'>Toevoeging Stiltedag 28 november 2025.Wat opborrelt bij de preek van Bernardus van Clairvaux. Hij laat mij rondzwerven door de verschillende ‘werelden’ t.w. de wereld van Schepping (onze aardse werkelijkheid), de wereld van de Ziel of Mundis Imaginalis (de wereld tussen aardse en hemelse werkelijkheid) en de wereld van de Geest (hemelse werkelijkheid).  ‘Tot lof van de moeder maagd’.De engel Gabriël werd door God gezonden naar een stad in Galilea, Nazareth geheten, naar een maagd die verloofd was met een man uit het huis van David, Jozef geheten. En de naam van de maagd was Maria.’  - Lucas 1: 26-27.Bernardus stelt onmiddellijk de vraag wat de evangelist wil uitdrukken door hier zoveel eigennamen te gebruiken. Eigennamen zijn in de Mundis Imaginalis uitdrukking van de essentie van de ‘drager’ en ze hebben een specifieke kwaliteit waar verschillende symbolen mee verbonden kunnen zijn.  Hier betreft het de ‘namen’  God (1) - en Zijn boodschapper: Gabriël (2) , de maagd – Maria (=geliefd door God) (3) - en haar verloofde – Jozef (=God voegt toe) (4), van Maria en Jozef hun afstamming -huis van David (5), woonplaats -Nazareth (6) en landstreek – Galilea (7).De Evangelist wordt door Bernardus ook berg genoemd. Een berg reikt naar de hemel en staat krachtig op aarde. Wat die berg ons toont is diens aardse gebondenheid en wat die te zeggen heeft draagt een hemelse klank, smaak en geur. Zo is er een zevental namen genoemd, en heeft Bernardus gewezen op drie zintuigen. Tezamen geven de volheid van de 7 en de eenheid van de 3 de totaliteit van de 10; dit toont het grote belang van hetgeen de Evangelist hier noemt en van de komende Verkondiging. Als de 7 namen klinken en de 3 zintuigen ‘ontwaken’ weet ik me aanwezig gesteld als Ruimte en kan ik de preek gaan lezen en overwegen.Gabriël betekent ‘Kracht van God’, een naam waar ook Jezus Christus mee aangeduid wordt. Die Kracht is werkzaam in Zijn groet en boodschap. Het is de Kracht die hemel en aarde verbindt – Geboorte geeft - , opdat de hemelse Kracht de aardse kracht heiligt – heel maakt -.Gabriel wordt door God gezonden naar de wereld van Schepping, naar de landstreek Galilea, naar de stad Nazareth. Galilea komt van GaLaL, dat ‘wegrollen’ betekent; het betreft iets dat voorbij gaat, weg gaat, verdwijnt.De stad of plaats is Nazareth en komt van NaZaR, dat ‘afzonderen’ of ‘wijden’ betekent en Nazareth als naamwoord komt van ‘jonge spruit’ of ‘bloesem’. Het lijkt te gaan over een eerste bloei, die in dit aardrijk volgroeit en uiteindelijk vergaat of verdwijnt. Bernardus noemt de voorbeelden in het OT van het nieuwe begin en de dingen die voorbij gaan, zo gaat het ook in de tijd van het NT en in onze huidige tijd van ons aards bestaan. Gabriel wordt gezonden om ‘een nieuw begin, dat ook weer voorbij gaat’ te brengen. Maar in het nadrukkelijk noemen van de maagd Maria – met de diverse andere benamingen -  naar wie Gabriël gezonden wordt is duidelijk dat het om een hemels zaad, of goddelijk Woord -Logos - gaat.De maagd die verloofd is, is Maria (geliefd door Yah, de Heilige)  en haar verloofde is Jozef (toegevoegd door Yah, de Heilige), beiden levend in de wereld van Schepping. Het mystieke hart van Maria is geopend voor de Kracht Gods, voor deze engel in de wereld van de Ziel – de Mundis Imaginalis. Het ontvangen van Goddelijke Kracht kan enkel gebeuren in de houding van algehele nederigheid. Zo is Maria ook beeld van zuivere geestelijk kwaliteit en wordt ze hier tevens uitgedrukt in maagdelijkheid. Bernardus wijst erop dat door Maria na te volgen ‘de maagdelijkheid prijzenswaardig is, maar de nederigheid noodzakelijk’. Ik overweeg die aanwijzing. Alleen in nederigheid kunnen we Kracht ontvangen, die ons helpt om weer op te staan als we zijn gevallen, of om opnieuw te kunnen beginnen nadat iets voorbij is gegaan of verdwenen.   De Verkondiging van Gabriel draagt transformatie in zich. Dit drukt zich als volgt uit bij Maria: Maria is zij in de wereld van Schepping, maar in de Verkondiging wordt zij Moeder Gods in de wereld van de Ziel. Maria is zij als moeder van Jezus op aarde in de wereld van Schepping. Moeder Gods is zij zowel als Moeder van de Zoon van God in de wereld van de Ziel of Mundis Imaginalis, als ook als Moeder die Één is met Vader en Zoon in de wereld van de Geest. Door Maria ‘na te volgen’ worden we geholpen om de weg van transformatie te gaan.  Gabriel gaat naar Nazareth in Galilea. Naar de ‘Gewijde’ plaats, waar alles bloeit, groeit en vergaat in de wereld van Schepping. Maar Maria is ook een Gewijde Plaats, Maria is ook Kerk, Maria is ook Baarmoeder, dit alles in de Mundis Imaginalis. Zo wordt in alle nederigheid, maagdelijkheid en vruchtbaarheid via Gabriel ‘het Woord van God’ ontvangen, in de wereld van de Ziel. Het Woord in de wereld van de Ziel is de ‘jonge spruit’ op aarde in de wereld van Schepping.Deze openingstekst in Lucas van de ‘Verkondiging’ laat zich horen buiten tijd en ruimte, maar in onze wereldtijd is het de toegang tot de boodschap van ‘het Licht dat de Duisternis overwint’, van de Geboorte van het Licht. De Verkondiging wordt ontvangen in de ‘afzondering’ - NaZaaR -, vanuit ware nederigheid en in de stilte – die maagdelijk en vruchtbaar is - van het mystieke hart, met de Kracht die wel wordt ervaren als een Aanraking of een Roep vanuit de Mundis Imaginalis - een moment van transformatie. Er gaat iets nieuws ontspruiten…    Nov 2025, kvb.</summary>
<category term='Tekst bij stiltedagen'/>
<published>2025-11-29T16:59:02+00:00</published>

					</entry>

					<entry>

						<id>https://www.petach.nl/nieuws/teksten-stiltedagen/tot-lof-van-de-moeder-maagd</id>

						<title type='text'>28 november 2025 - Tot lof van de Moeder Maagd</title>

						<updated>2025-11-21T14:52:25+00:00</updated>

						<author>

						<name>vanbeek</name>
						<email>karinvanbeek@nospam.com</email>
</author>

						<link rel='alternate' type='text/html' href='https://www.petach.nl/nieuws/teksten-stiltedagen/tot-lof-van-de-moeder-maagd' />

						<summary type='text'>Tot Lof van de Moeder Maagd Download/print‘De engel Gabriël werd door God gezonden naar een stad in Galilea, Nazareth geheten, naar een maagd die verloofd was met een man uit het huis David, Jozef geheten. En de naam van de maagd was Maria.’ (Luc 1,26-27)Wat wilde de evangelist uitdrukken door op deze plaats zoveel eigennamen aan te halen? Ik denk dat hij wil dat wij niet onachtzaam horen, wat hij zo zorgvuldig heeft willen vertellen. Hij noemt de boodschapper die uitgezonden wordt en de Heer, die hem zendt, de maagd, tot wie hij gezonden wordt en de verloofde van die maagd. Hij geeft de afstamming van beiden aan, hun woonplaats en de landstreek. Waartoe dient dit? Denk je soms, dat iets hiervan overbodig is? In geen geval! Als er geen blad van de boom valt zonder reden noch een mus op de aarde valt buiten de hemelse Vader (Mt 10,29), zou ik dan kunnen denken, dat er uit de mond van een heilige evangelist een overbodig woord voortkwam? Ik denk van niet. Al deze woorden zijn vol van verheven  geheimen en ieder woord afzonderlijk vloeit over van hemelse zoetheid, als dit maar een aandachtige beschouwer vindt die honing weet te zuigen uit de steenrots en olie uit het aller-hardste gesteente (Deut. 32,13). [   ] En in dezelfde tijd ook vertrouwde deze ene berg, namelijk deze heilige evangelist, niet gering onder de overige bergen, ons het zo verlangde begin van ons heil aan zijn honingzoete taal toe en waaiden ons geestelijke geuren van kruiden tegemoet, zoals wanneer de zuiderwind over ons waait en de zon van de gerechtigheid (Mal 4,2) ons van nabij toeschijnt. Moge de Heer nu toch zijn woord uitzenden en het vloeibaar voor ons maken; moge zijn Geest door ons heen waaien en de woorden van het Evangelie voor ons begrijpelijk worden, voor ons hart begeerlijker dan goud en het kostbaarste gesteente, zoeter dan honing en de honingraat (Ps 19,11). 2. Lucas zegt dus: ‘De engel Gabriël door God gezonden.’ Ik denk niet, dat deze engel tot de lagere geesten behoord heeft, die gewend zijn om vaak vanwege een of andere reden belast te worden met een boodschap naar de aarde. Met zijn naam wordt dit al duidelijk te kennen gegeven, die vertaald ‘sterkte Gods’ betekent, en door de uitspraak dat hij door God zelf gezonden werd. [   ] Zijn naam staat ook niet in tegenspraak met de boodschap. Want wie kon beter Christus, ‘de kracht Gods’ (1 Kor 1, 24), aankondigen dan degene die met eenzelfde naam geëerd wordt? Is sterkte niet hetzelfde als kracht? Het moet niet onbetamelijk of ongepast gevonden worden, dat de Heer en zijn gezant dezelfde naam dragen. Ook al hebben beiden dezelfde naam, toch is de reden daarvoor bij beiden niet dezelfde. Christus wordt in een andere betekenis ‘kracht’ of ‘sterkte van God’ genoemd dan de engel. De engel wordt slechts naar naam, Christus echter ook naar wezen ‘kracht van God’ genoemd, en is dit ook.  [   ] De engel wordt de ‘sterkte van God’ genoemd, ofwel omdat hij het voorrecht verdiende van de taak om de komst van de kracht van God aan te kondigen, ofwel omdat hij een van nature schrikachtig, eenvoudig en schuchter meisje sterken moest om niet van het ongewone wonder te schrikken. Hij deed dit door te zeggen: ‘Vrees niet, Maria, je hebt genade gevonden bij God.’ (Luc 1,30)  [    ] 3. De engel Gabriël werd dus door God gezonden. Waarheen? ‘Naar een stad in Galilea, Nazareth geheten’. Laat ons zien, of naar het woord van Nathanaël uit Nazareth iets goeds kan komen (Joh 1,46). Nazareth betekent vertaald ‘bloem’. Het zaad van de goddelijke kennis, dat als het ware uit de hemel op de aarde geworpen werd, schijnt mij in zeker zin de woorden en beloften te zijn, die van bovenaf aan de Vaders gericht werden, aan Abraham, Isaäk en Jakob. Over dit zaad staat geschreven: ‘Als de Heer der heerscharen ons niet enig zaad had achtergelaten, waren wij als Sodom geworden en aan Gomorra gelijk.’ (Jes 1,9; Rom 9,29). Dit zaad heeft gebloeid in de wonderen die zichtbaar werden bij de uittocht van Israël uit Egypte, in de verschijningen en raadselen op de gehele tocht door de woestijn tot in het land van de belofte, vervolgens in de visioenen en profetieën van de profeten, ook in de instelling van het koningschap en priesterschap tot aan Christus toe. En Christus wordt terecht beschouwd als de vrucht van dit zaad en deze bloesem. [   ]In Nazareth wordt dus aangekondigd, dat Christus geboren zal worden, omdat de bloesem hoop inhoudt op een komende vrucht. Maar bij het groeien van de vrucht verwelkt de bloem, omdat wanneer de waarheid in het vlees verschijnt, de voorafbeelding voorbij is. Vandaar dat Nazareth ook ‘een stad in Galilea’ genoemd wordt, hetgeen betekent: ‘een stad van voorbijgaan’, omdat door de geboorte van Christus alles voorbijgegaan is, wat ik boven heb opgenoemd hetgeen Paulus schrijft: ‘Die dingen zijn hun overkomen ter voorafbeelding.’ (1 Kor 10,11). Wij die deze vrucht bezitten, zien dan ook dat deze dingen voorbijgegaan zijn en toen zij nog in bloei te zien waren, was al te voorzien dat zij voorbij zouden gaan. [   ]Naar Gods eigen woord ‘Zie ik maak alle dingen nieuw’ (Apk 21,5) is het oude voorbijgegaan en verdwenen, zoals de bloesem verwelkt en verdroogt voor de nieuwheid van de aanwassende vrucht. En daarom staat er geschreven: ‘Het gras verdort en de bloesem valt af, maar het woord des Heren blijft tot in eeuwigheid.’ (Jes 40,8; 1 Petr 1,24). Ik denk dat je er niet aan twijfelt dat het woord hier de vrucht is; Christus is nu het woord. [   ]5. Naar die stad is de engel dus door God gezonden. Tot wie? ‘Tot een maagd, die verloofd was met een man, Jozef geheten.’ (Luc 1,17) Wie is deze maagd, zo eerbiedwaardig, dat zij door een engel begroet wordt, en toch zo nederig dat zij verloofd was met een handwerkman? Wat een prachtige verstrengeling van deemoed en maagdelijkheid! In geen enkel opzicht gering is het behagen dat zo’n ziel bij God vindt, waarin de deemoed de maagdelijkheid huldigt en de maagdelijkheid de nederigheid opsmukt. Hoeveel eerbied is niet diegene waardig, in wie de vruchtbaarheid de nederigheid verheft en de geboorte de maagdelijkheid heiligt? Je hoort, dat zij maagd is. Je hoort dat zij nederig is. Indien je de maagdelijkheid van deze nederige niet kunt navolgen, volg dan tenminste de nederigheid van deze maagd na. De maagdelijkheid is een prijzenswaardige deugd, maar noodzakelijker is de nederigheid. De eerste wordt aanbevolen, de tweede wordt voorgeschreven. Tot de eerste word je uitgenodigd, tot de tweede word je genoodzaakt. Van de maagdelijkheid wordt gezegd: ‘Wie haar vatten kan, vatte haar.’ (Matt 18, 3) [     ] Als je dus in Maria de maagdelijkheid slechts kunt bewonderen, streef er dan naar om haar nederigheid na te volgen en dit zal je voldoende zijn. Maar als je maagdelijk bent en bovendien nederig, dan ben je groot, wie je ook bent. 7. En toch is er iets groters dat je in Maria bewonderen kunt, namelijk het samengaan van maagdelijkheid en vruchtbaarheid. Sinds mensenheugenis is het nooit gehoord, dat iemand moeder en maagd tegelijkertijd was. En let op, wiens moeder zij was; hoe ver zal je bewondering van haar wonderlijke verhevenheid je dan niet voeren? [   ] Dient naar jouw oordeel, ja meer nog naar het oordeel van de eeuwige waarheid, die vrouw die God als zoon heeft gehad niet boven alle koren der engelen verheven te worden? [   ] Maria, zich bewust van haar moederschap, noemt de majesteit die de engelen vol eerbied dienen, vol vertrouwen haar zoon. En God versmaadt het niet dat genoemd te worden, waarvoor Hij zich niet te goed geacht heeft het ook te zijn, want onmiddellijk daarna zegt de Evangelist: ‘Hij was hun onderdanig.’(Luc 2,51) Wie was hier onderdanig aan wie? God aan mensen! Ik zeg: God, aan wie engelen onderdanig zijn, aan wie de vorsten en de machten gehoorzamen, was onderdanig aan Maria, en niet alleen aan Maria, maar omwille van Maria ook aan Jozef. [    ]8. Leer dus, mens, om gehoorzaam te zijn; leer, aarde, onderdanig te zijn; leef, stof, om gehoorzaam te zijn. Over uw schepper zegt de Evangelist: ‘Hij was hun onderdanig’ en zonder twijfel bedoelt hij daarmee: onderdanig aan Maria en Jozef. God vernedert zich en jij zou je verheffen? God is onderdanig aan mensen en jij zou uit verlangen om mensen te bevelen, je boven je Schepper stellen? Zouden mijn gedachten ooit naar zoiets uitgaan, dat God zich dan moge verwaardigen, mij hetzelfde te antwoorden als wat Hij met harde woorden Petrus antwoordde: ‘Ga weg van mij, Satan, want gij zijt niet bedacht op de dingen Gods.’ (Matt 16,23)  [   ]Indien jij, mens, je niet te goed acht om het voorbeeld van een mens na te volgen, zal het je toch zeker niet onwaardig zijn het voorbeeld van je Schepper te volgen. Ook al kun je Hem niet overal volgen waarheen Hij gaat, volg Hem tenminste daar, waar Hij naar jou afdaalt. Dit betekent: als je niet het steile pad van de maagdelijkheid kunt bestijgen, volg God dan tenminste op de meest zekere weg van de nederigheid. [   ] De zondaar die nederig is heeft een heilzamer deel gekozen dan de hoogmoedige die maagd gebleven is, want de deemoed van de eerste loutert zijn onreinheid, terwijl de hoogmoed van de tweede zijn ongereptheid bezoedelt. 9. Gelukkig is echter Maria, bij wie het noch aan nederigheid noch aan maagdelijkheid heeft ontbroken. En het is zelfs een bijzondere maagdelijkheid, die door de vruchtbaarheid geenszins geschonden, maar juist verheerlijkt is. En een buitengewone nederigheid die door de vruchtbare maagdelijkheid niet weggenomen, maar toegenomen is. Onvergelijkbaar is tenslotte de vruchtbaarheid, want zij wordt tegelijk zowel door de maagdelijkheid als de nederigheid vergezeld.Welke van deze gaven is niet wonderlijk? Welke is niet onvergelijkelijk? Welke is niet uniek? [    ] Zonder twijfel moet het samengaan van deze eigenschappen verkozen worden boven elke eigenschap afzonderlijk en is het onvergelijkelijk verhevener en gelukkiger, ze alle samen te bezitten dan een ervan. En is het verwonderlijk, dat God, die zich ‘wonderbaar in zijn heiligen’ (Ps 68,36) heeft getoond, zich het meest wonderbaar heeft betoond in zijn moeder? [   ]Volgt de nederigheid van de moeder Gods na. Gij, heilige engelen, eert de moeder van uw koning. Gij die de Zoon van onze maagd aanbidt als uw en tegelijkertijd onze koning, de hersteller van ons geslacht en de vernieuwer van uw stad. Bij U is Hij zo hoog verheven, bij ons was Hij zo gering. Moge zo aan zijn waardigheid door U en ons tezamen de verschuldigde eerbied worden bewezen, evenals roem en eer aan zijn ontferming in de eeuwen der eeuwen, amen. Uit: ‘Honing uit de rots – teksten van Bernard van Clairvaux’ (blz 62 – 70)</summary>
<category term='Tekst bij stiltedagen'/>
<published>2025-11-21T14:52:25+00:00</published>

					</entry>

					<entry>

						<id>https://www.petach.nl/nieuws/teksten-stiltedagen/toevoeging-bij-de-tekst-van-oktober-2025</id>

						<title type='text'>Toevoeging bij de tekst van oktober 2025</title>

						<updated>2025-11-05T08:48:11+00:00</updated>

						<author>

						<name>vanbeek</name>
						<email>karinvanbeek@nospam.com</email>
</author>

						<link rel='alternate' type='text/html' href='https://www.petach.nl/nieuws/teksten-stiltedagen/toevoeging-bij-de-tekst-van-oktober-2025' />

						<summary type='text'>Wat wij kennen en wat we schouwen is niet God zoals hij in Zichzelf is. We zien in de schoonheid van Zijn schepping en in de schoonheid van ‘onze’ ziel,  ‘slechts’ de schitterende schaduw van Zijn wezen.  We zien en schouwen niet dè Schoonheid, maar concrete vormen die uitdrukking zijn van de ‘Vorm die vormloos’ is.  Dit kennen is genade omdat het ons Godsverlangen wekt en richt.Geometrische oervormen (de punt, de cirkel en de rechte lijn)  liggen ten grondslag aan alle geschapen, dus zichtbare vormen en zijn derhalve de meest volmaakte, doch tevens uiterst gebrekkige uitdrukkingen in onze kenbare werelden van de volmaakte Schoonheid. Door onze creatieve verbeelding kunnen we schoonheid uitdrukken en werkelijke schoonheid vermoeden., maar dan moet die creatieve verbeelding wel haar geheimzinnige grond hebben in het Onkenbare.Over de tekening Het witte licht symboliseert de Schoonheid. De Schoonheid is voor ons afgesloten (voor onze uiterlijke en innerlijke ogen is ze niet rechtstreeks te beleven : zwarte afscheiding) en dringt alleen indirect tot ons door, wordt als het ware bemiddeld door ‘tussen werelden’ (cirkel in het midden). En hoewel het echte Licht ook in ons wezen huist, is het toch een voor ons verborgen Licht (kleine cirkel beneden). Mij dringt op het beeld van Tempel. We zijn een Tempel, woning van God, met in het diepste centrum het Heilige der Heiligen, waartoe wij geen toegang hebben. En als eens in de staat van Hogepriester ons toegang wordt verleend dan zien we ‘slecht’ de Ark des Verbonds, de vormloze Ervaring van Aanwezigheid. Is deze Leegte de ultieme ervaring van Schoonheid die voor ons hier mogelijk is?Paul Horbach</summary>
<category term='Tekst bij stiltedagen'/>
<published>2025-11-05T08:48:11+00:00</published>

					</entry>

					<entry>

						<id>https://www.petach.nl/nieuws/teksten-stiltedagen/31-oktober-2025</id>

						<title type='text'>31 oktober 2025 - Wat is meer geliefd dan goddelijke schoonheid?</title>

						<updated>2025-10-22T07:50:29+00:00</updated>

						<author>

						<name>vanbeek</name>
						<email>karinvanbeek@nospam.com</email>
</author>

						<link rel='alternate' type='text/html' href='https://www.petach.nl/nieuws/teksten-stiltedagen/31-oktober-2025' />

						<summary type='text'>Wat is meer geliefd dan goddelijke schoonheid?Download/print‘How contemplatives contemplate’.‘Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben’. (1 Kor 13,12).Schouwen is als het zien van een vaag beeld in een spiegel; als een weerspiegeling van dingen en gebeurtenissen die nu aanwezig zijn en in de toekomstige Wereld zullen plaatsvinden. Wanneer een spiegel iets reflecteert, heeft de reflectie op zichzelf geen werkelijke substantie. Toch is ze ook niet niets, want ieder die de waarheid liefheeft erkent dat wat hij ziet in de spiegel het ware beeld is van het gereflecteerde object. Op dezelfde manier kunnen dingen en gebeurtenissen die niet bestaan of onwerkelijk zijn los van hetgeen ze reflecteren, toch ware vormen aannemen van echte realiteiten; en deze beelden hebben de kracht ons op betrouwbare wijze te leiden naar de waarheid zelf. Paulus zegt ‘want wij wandelen in geloof niet in aanschouwen (met onze ogen zien)’ (2 Kor 5,7) [   ] En ook zegt hij: ‘Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen’ ( 1 Kor 13,12) en, ‘Als het volmaakte komt, zal het onvolkomene afgedaan hebben’ (1 Kor 13,10).Zie je hoe deze kennis van dingen die aanwezig zijn ons stimuleert tot contemplatie van datgene dat betrekking heeft op de toekomstige Wereld, hoewel de dingen van de toekomstige Wereld net zo verschillen van de nu aanwezige dingen, als het perfecte en unieke verschilt van het imperfecte? Maar Paulus zegt ook: ‘Ik loop dan ook niet maar in den blinde en ik ben geen vuistvechter, die zo maar in de lucht slaat.’ (1 Kor 9, 26). Dit gaat over ware kennis van de toekomstige Wereld. Maar Paulus is consistent, wanneer hij al deze dingen zegt, daar het woord ‘geloof’ een tweevoudige betekenis heeft. [   ]Er is geloof, dat logisch aangetoond moet worden en dat alleen gebaseerd is op wat er wordt verteld; en er is geloof dat in het geheel niet aangetoond hoeft te worden, maar voor de gelovige volledig overtuigend is vanwege het door hemzelf -innerlijk- ‘geschouwde’. (Dat is ‘levend’ geloof van de eenheid van persoonlijkheid én ziel -kvb). Dat geloof heeft vorm, zoals dat in geen enkel object wordt gezien.  Die ‘vorm’ wordt alleen in algemene zin beschouwd, zonder rekening te houden met de vele verschillen die er bestaan binnen deze algemene vorm. Alle contemplatieven bezitten dit levend geloof, terwijl de vorm die zij zien algemeen is en niet persoonlijk. Want als God geen noëtische* vorm was hoe zou Hij dan ‘prachtig’ genoemd kunnen worden? Dus net zoals God, die geen object is, noëtisch mooi is, zo moeten wij ons dus Zijn noëtische vorm voorstellen als: vorm vóór alle dingen,  glorieus, die de ziel overstelpt met verwondering, het intellect vult en doorstraalt met geestelijk licht, die overstroomt van elke schittering en leidt tot begrip van God. [   ]Mozes zag God ook op deze wijze, want er wordt gezegd dat God met Mozes sprak in zichtbare vorm en in raadselen (Num 12,8). Als in God elke goddelijke vorm ontbrak zou hij geheel onzichtbaar zijn; en daar Gods schoonheid correspondeert met Zijn vorm zou ook dat onze waarneming te boven gaan. Als het verkeerd zou zijn God een goddelijke vorm toe te schrijven, zou het ook verkeerd zijn Hem schoonheid toe te schrijven, en meer nog de uitdrukking waarin de vorm en de schoonheid dan gevonden zouden worden. Toch was er een profeet die zei: ‘Wij zagen Hem en Hij had geen vorm en schoonheid, Zijn vorm ontbrak’ (Jes 53,2). Dit werd gezegd met verwijzing naar de goddelijkheid van de Logos en naar het feit dat Hij aan het kruis werd gehangen als een misdadiger (Luc 23,22), zonder een teken te dragen van Zijn goddelijke natuur, terwijl, met respect voor Zijn menselijke natuur, er geen schoonheid in Hem was vanwege zijn dood, want de vorm die Hij had was die van een lichaam. Aan de andere kant bezingt David Hem als ‘oprechte schoonheid’ (Ps 45,3).  Dit werd beslist niet gezegd met betrekking tot Zijn menselijke vorm, daar hij toevoegt: ‘Lieflijkheid is over uw lippen uitgegoten’, hetgeen duidelijk verwijst naar de goddelijkheid die vol schoonheid is. In vele passages verwijst David naar Gods Aangezicht, zoals: ‘Gij verbergt Uw aangezicht, ik stond verschrikt’ (Ps 30,8) en zo bidt hij: ‘Verberg Uw aangezicht niet voor mij,’ (Ps 27, 9) en ‘Wend Uw aangezicht af van mijn zonden’ (Ps 51,9). Omdat het dus legitiem is aangezicht en schoonheid aan God op passende wijze toe te schrijven - dat wil zeggen, zonder speciale vorm en niet gespecificeerd - is het ook legitiem om te zeggen dat Hij een vorm heeft die correspondeert met Zijn aangezicht en Zijn schoonheid. [.  ] Want hoewel wij God niet kunnen zien of deel kunnen hebben aan Hem zoals Hij is in Zichzelf, toch is Hij -hoewel Hij onbegrensd is - op een andere wijze te zien en te benaderen. Daarom leert David ons altijd het Aangezicht van de Heer te zoeken (Ps 27,8); want als wij een beeld van Zijn goddelijkheid hebben verkregen zullen we oneindig en onnoembaar veel genade, goddelijke vreugde en gelukzaligheid ervaren. Daarom zei David: ‘Ik zal verzadigd worden als Uw glorie zich aan mij openbaart’ (Ps 17,15 LXX). Want overweldigend en oneindig is de uitstralende Glorie van het goddelijk Gelaat, dat hen verlicht die God schouwen in geest en waarheid; en de vreugde en verrukking van hen die dit ervaren is onuitsprekelijk. De Glorie is haast onverdraaglijk vanwege de overdaad, terwijl voor diegenen die de Glorie niet hebben gezien of geproefd, zij niet kan worden uitgelegd. Want als iemand de zoetheid van honing niet kan uitleggen aan hen die geen honing hebben geproefd, hoe kan men dan dingen beschrijven die het intellect transcenderen aan hen die niet hebben gezien en die niet de daaruit voortkomende goddelijke vreugde en gelukzaligheid hebben ervaren? Paulus had een levend geloof in God en ook een uitmuntend en machtig -maar niet uitzonderlijk- beeld van God, als hij ons vertelt dat hij ‘wandelt overeenkomstig het geloof’ (2 Korr 5,7). Natuurlijk bedoelt hij geen geloof door te aanschouwen, dat wil zeggen volgens een zichtbare vorm in een specifiek object, want dat brengt geen ongeschapen deïficatie (vergoddelijking) teweeg. Maar hij bedoelt levend geloof.St. Maximus zegt: ‘Ik noem ongeschapen vergoddelijking ware en gepersonaliseerde verlichting van de Godheid in een ‘vorm’; deze verlichting is ongeschapen, maar is - voorbij het denkvermogen- manifest voor hen die dit waardig zijn.’ Ook goddelijke schoonheid manifesteert zich door middel van vorm. Met respect voor deze schoonheid zegt Basilius de Grote, ‘Wat is meer geliefd dan goddelijke schoonheid?’ En: ‘Ware schoonheid, schoonheid die enorm geliefd is en die alleen waargenomen kan worden door het gezuiverde intellect omringt de goddelijke en gezegende natuur.’ Daarom zegt Paulus van zichzelf dat hij, hoewel hij geen bekwaam spreker is, niet onbekwaam is wanneer het kennis betreft (1 Korr 11,6). Want hij was groot in goddelijk noëtische kennis, waarin hij gedeeltelijk tot kennis van God was gekomen - God die het begripsvermogen transcendent. Ook, Mozes, ziener van God, bezat deze gedeeltelijke kennis en nam de goddelijke vorm waar die in geen enkel object gezien kan worden. En ook de goddelijke schoonheid, want hij zei, ‘Indien ik genade in uw ogen gevonden heb, zodat ik U kan zien met bewust gewaarzijn…’ (Ex 33,13). Want daar hij de openbaring van God en de glorie van goddelijke schoonheid al had ervaren - hoewel niet gemanifesteerd in een specifiek object - vraagt hij nu dat het hem wordt toegestaan dit in een volmaaktere vorm te mogen ervaren. God stond hem dat echter niet toe, want Hij kan niet worden gezien noch door een noëtische ziel, noch zelfs door een  engelen-ziel, daar Hij de grenzen van kennis transcendeert. Mozes zag God inderdaad in het goddelijk duister (Ex 20,21), hoewel niet op persoonlijke wijze, maar als noëtische vorm en schoonheid zonder specifiek zichtbare inhoud. Dit is wel de wijze waarop God kan worden gezien, zoals Mozes ongetwijfeld zou zeggen, en ook Elia, en het hele gezelschap van profeten die het Aangezicht van God te zien hebben gekregen. Als wij op weg zijn in levend geloof, een geloof door het schouwen van goddelijke waarheid, bevestigd door de stralende glorie en de schoonheid van Gods Aangezicht, getuigend van het visioen van Zijn licht dat alle schoonheid te boven gaat, dan zijn wij op weg niet alleen in het geloof dat anderen ons hebben verteld. [   ] In de toekomstige Wereld is geloof niet vereist; alleen in deze wereld verkrijgen wij levend geloof. In de toekomstige Wereld zal de mooiste goddelijke vorm helderder worden gezien, maar in deze wereld zien we die als een schaduw. Zoals Gregorius de Theoloog uitlegt: ‘als ons voorstellingsvermogen een beeld van de waarheid samenstelt uit verschillende waarnemingen, dan is dit beeld slechts een weerspiegelde schaduw van de waarheid.’ In de toekomende Wereld zal het beeld van aangezicht tot Aangezicht zijn, en dat wat gedeeltelijk is zal worden hersteld door de manifestatie van wat perfect is (1 Kor 13:10,12.)‘In deze wereld’, zegt Augustinus, ‘brengt het gedeeltelijke beeld van God de god-vormige ziel in verrukking met de liefde van Zijn Glorie’. Zo wordt de ziel verenigd en in deze verenigde staat neemt zij de verborgen transcendente eenheid van God waar. In de aanwezigheid van deze vorm, van deze schoonheid en van dit gelaat wordt elk intellect gezuiverd, mooi gemaakt en verlicht op geestelijke en bovennatuurlijke wijze. Als gevolg hiervan ontvouwt en verheft het intellect zijn contemplatieve kracht en geeft zich over aan een staat van verrukte verwondering, terwijl de ziel op mystieke wijze gevuld is met licht, met goddelijke heerlijkheid en vreugde. Kortom, op deze wijze zullen zij, die ernaar streven om Goddelijkheid te mogen ervaren en begrijpen, worden verheerlijkt en vergoddelijkt, terwijl zij vrienden van God worden, toegewijd en visionair, maar nog wel gebonden aan hun sterfelijk lichaam. Ook zullen zij op deze wijze door noëtische waarneming: schouwend zien, contemplatie en zegeningen ervaren, en gedeeltelijk ook de voorwaarden van de toekomstige Wereld ervaren. Zo zegt Paulus: ‘Wat het oog niet heeft gezien, noch het oor heeft gehoord, en wat het hart van de mens zich niet kan voorstellen.’ (1 Kor 2,9)*noot: noëtisch is het bijvoeglijk naamwoord van de nous; nous is een oud-Grieks begrip voor intellect of geest, ook wel ‘het topje van de ziel’. (vertaling kvb 10/2025.)</summary>
<category term='Tekst bij stiltedagen'/>
<published>2025-10-22T07:50:29+00:00</published>

					</entry>

				</feed>
